Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Het toepassen van wind

Onderdeel van Ruimtelijke kaders zon en wind gemeente Buren 2023-2025

Hier geven we een toelichting op het toepassen, in plaats van het inpassen, van windenergie. Hiervan is sprake aangezien bij windenergie het ruimtelijke effect in het Rivierenland zo nadrukkelijk aanwezig is. Moderne windturbines ontstijgen namelijk de schaal van dit landschap en hebben dus maar weinig tot geen relatie met het maaiveld. Ze kunnen in bepaalde opstellingen de lijnen of structuur in het landschap benadrukken, maar als je het hebt over maat en schaal van het landschap kunnen ze zich in Rivierenland eigenlijk alleen meten met de grootschalige infrastructuur, als van de A15 en de Betuwelijn. Omdat ze groot zijn, hebben ze een enorme grote ruimtelijke impact. In bijlage 1 zijn ook twee kaarten toegevoegd waarin de natuurwaarden en de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente zijn weergeven en waarin de verdere precisering van de zoekgebieden te zien zijn. Zo kan bij de positionering van windenergie gekeken worden naar de ruimtelijke werking in relatie tot zichtlijn en dergelijke, en in die zin kan gesproken worden van “toepassen”. Vanuit de RES is het streven een zo rustig mogelijk landschappelijk beeld te creëren. Dus een streven naar eenheid in opzet en uitstraling. Dat betekent bijvoorbeeld dat als ergens al turbines op een lijn staan, daarnaast een cluster gesitueerd kan worden of een lijn haaks op die richting. Het is vervolgens ook per project maatwerk ten aanzien van de mogelijkheden en onmogelijkheden van een gebied. Zo zijn er ook hindercirkels vanwege het feit dat er afstand moet worden gehouden ten opzichte van woningen, infrastructuur en andere bestemmingen. Afhankelijk van de werkelijke beschikbare ruimte kan dan gekeken worden naar een of meerdere, van de ontstaande, inrichtingsopties. Wat dat betreft vraagt elk project een eigen ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de mogelijke inrichtingsoptie. Via het participatieplan (zie participatiekader) zullen omwonenden daarbij betrokken worden. Via dat plan en een eventuele MER moet ook ingegaan worden op de mogelijke impact van hinder als slagschaduw en laag frequent geluid. Of in de bewoordingen van het bureau Feddes Olthof, het bureau dat ook de ruimtelijke onderbouwing voor de RES1.0 heeft verzorgd: “In onze benadering van duurzame energie opwek in de vorm van zon en wind gaan we zoveel mogelijk uit van de kansen en mogelijkheden die het landschap biedt. De randvoorwaarden en beperkingen die van toepassing zijn, zijn van groot belang voor de haalbaarheid van projecten, maar leiden niet vanzelfsprekend tot een gewenst ruimtelijk beeld. Wanneer we de resterende potentiële ruimtes volledig aan de markt overlaten dan ontstaat een willekeur aan windparken, waarbij de gekozen opstelling vooral voortkomt uit economisch gewin. Om te voorkomen dat dit gebeurt, hebben we een landschappelijk verhaal nodig. Nu is het probleem met de huidige generatie turbines dat die de schaal van dat landschap overstijgen. Ze hebben een relatie meer met ‘beneden’ en kunnen zich qua maat en schaal eigenlijk alleen meten met grootschalige infrastructuur. Daarom is een focus op de A15/Betuwelijn een logische. De turbines worden ook steeds hoger. Tiphoogtes (rotor + masthoogte) van 200 meter en hoger zijn niet langer uitzonderlijk. Deze hoogtes zijn lastig in te schatten, omdat er amper vergelijkbare elementen in het landschap staan. Met dat ze hoger worden neemt de impact in beeld natuurlijk wel toe. Tegelijkertijd brengen ze ook meer op en zijn er relatief minder van nodig. Je kunt turbines dan eigenlijk ook niet inpassen. Het is beter te spreken over toepassen. Zo kunnen de turbines een bijzonder punt markeren of een landschappelijke lijn of richting benadrukken. Om een zo rustig mogelijk landschappelijk beeld te creëren is het zaak heldere plaatsingsprincipes te hanteren en voldoende onderlinge afstand tussen windparken te creëren. Wanneer parken te dicht op elkaar staan leidt dat tot een verstoord beeld, interferentie. Dit pleit ervoor om te kiezen voor minder, maar dan wel grotere parken met hoge turbines op voldoende afstand van elkaar.” Er zijn drie types opstellingen mogelijk: lijnen, rasters en clusters (zie toelichting). De bijbehorende principes dienen zo zuiver mogelijk te worden toegepast. Eenheid in vormgeving van de windturbines per opstelling (afmeting, type en kleur) draagt bij aan een rustige uitstraling. Een verhouding tussen masthoogte en rotordiameter van 1:1 wordt esthetisch als beste verhouding beschouwd. Lijnen Een lijnopstelling bestaat uit 3 of meer turbines. Bij een lijnopstelling moet de onderlinge afstand gelijk zijn en is verspringing van turbines uit de lijn slechts zeer beperkt mogelijk. Afbeelding 1: lijnopstelling (bron: BoschSlabbers landschapsarchitecten) Rasters Bij een rasteropstelling dienen de turbines in twee (of meerdere richtingen) in een rij te staan. Een raster bestaat uit minimaal 6 turbines. Fraaie rasteropstellingen zijn vrij lastig te realiseren. Het vraagt veel ruimte en komt heel precies. Afbeelding 2: rasteropstelling(Bron: BoschSlabbers landschapsarchitecten) Clusters Een clusteropstelling is een meer vrije opstelling en kent daarom meer flexibiliteit. Van belang is dat de opstelling altijd compact is en dat het ontstaan van lijnen binnen het cluster voorkomen dient te worden. Een cluster bestaat uit minimaal 3 turbines. Afbeelding 3: clusteropstelling (Bron: BoschSlabbers landschapsarchitecten) Tot slot Tijdens de raadsvergadering op 15 juni 2021 over het ruimtelijke beleidskader is een amendement aangenomen dat aangeeft dat bij windmolens technieken moeten worden aangewend om botsingen met vogels tot een minimum te beperken, zoals zwarte aanduidingen op wieken, een detectiesysteem en/of andere technieken.

Rechtspraak bij dit artikel