Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 24, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 25, onder a., onmogelijk maken dan wel;
een collectief systeem als bedoeld in artikel 25, onder a., niet aanwezig is;
het collectief vervoer niet toereikend is om in verplaatsingen in het kader van het leven van alledag te voorzien en een individuele voorziening in aanvulling op het collectieve systeem nodig is.
HOOFDSTUK 5
Artikel 26
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2008 gemeente Amstelveen