Inwoners met een uitkering van de gemeente hebben meestal weinig mogelijkheden om een schuld te betalen. De gemeente houdt daar rekening mee en stelt de maandelijkse betalingsverplichting van de inwoner vast op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vordering op de inwoner wordt verrekend met de uitkering.
Als de inwoner een betalingsvoorstel doet voor een lagere maandelijkse aflossing, dan stemt de gemeente daarmee in zolang de vordering binnen 36 maanden wordt afgelost en de voorgestelde aflossing ten minste € 45,00 per maand is. Als een andere schuldeiser beslag legt op de uitkering, verhoogt de gemeente de maandelijkse betalingsverplichting tot 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. De vordering van die andere schuldeiser kan dan niet worden afgelost uit de uitkering en moet wachten totdat de vordering van de gemeente is afgelost.
Gaat de inwoner aan het werk en uit de uitkering? Dan blijft de hoogte van de betalingsverplichting zes maanden hetzelfde. Dat stimuleert de inwoner om met de aflossing verder te gaan en helpt om de financiële huishouding op orde te houden. Na afloop van die periode wordt de maandelijkse betalingsverplichting vastgesteld op het bedrag dat voor het andere inkomen geldt.
Hoofdstuk 3:
Artikel 3.2.1:
De betalingsverplichting van inwoners met een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Mook en Middelaar 2023