**1..** Onder inkomen van het huishouden wordt in ieder geval verstaan:
inkomen uit arbeid;
inkomen uit de eigen onderneming;
inkomen uit een uitkering (Participatiewet, ANW, AOW, Appa);
inkomen uit (onder)verhuur en/of kostgeverschap;
inkomsten uit vermogen, zoals rente of dividend;
inkomen uit periodieke giften;
pensioen dat via de werkgever is opgebouwd en uitkeringen uit een lijfrenteproduct; Hiervan mag de aanvrager per maand in 2023 als alleenstaande € 25,15 of als gezamenlijke huishouding € 50,30 aftrekken;
inkomsten uit een PGB, voor zover de aanvrager dit ontvangt als vergoeding voor verrichte zorg;
inkomen uit partner- en/of kinderalimentatie; en
Periodieke giften.
**2..** Middelen genoemd in artikel 31, tweede lid van de wet, worden in ieder geval niet als inkomen aangemerkt.
**3..** Indien het inkomen van de inwoner aanspraak geeft op vakantiegeld, laat het college dit buiten beschouwing bij het vaststellen van de hoogte van dat inkomen.
**4..** Het inkomen wordt vastgesteld op basis van het feitelijk besteedbaar inkomen in geval één of meer van de volgende situaties van toepassing is:
Wsnp;
beslaglegging;
minnelijke regeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
inhouding inzake een bestuursrechtelijke premie.
**5..** Onder feitelijk besteedbaar inkomen als genoemd in het derde lid wordt verstaan het inkomen wat belanghebbende feitelijk te besteden heeft, na het voldoen van betalingen richting schuldeisers.