1.
De kabel- en leidingstroken zijn niet geprojecteerd onder een rijweg, parkeerstrook of bomenrij.
2.
De kabels en leidingen liggen onder:
Voetpaden
Andere verhardingen
3.
Voetpaden waar leidingstroken onder zijn gesitueerd hebben een minimale breedte van 1,80 m. Wanneer er geen trottoirkolken zijn toegepast volstaat een minimale breedte van 1,50 m.
4.
De afstand van struikgewas tot de rand van het leidingentracé bedraagt meer dan 1 m. Op locaties waar dit niet mogelijk is wortelschermen toepassen.
5.
De afstand van het hart van een boom tot de rand van het leidingentracé bedraagt meer dan 2,5 m. Wanneer het leidingentracé dichterbij de boom is geprojecteerd zijn wortelschermen/-schotten toegepast. Dit vindt uitsluitend plaats na goedkeuring van de netwerkbeheerder(s) en team beheer.
6.
Kabels en leidingen onder asfaltverhardingen zijn aangebracht met behulp van een persing.
7.
Er zijn geen riolering, kabels en leidingen geprojecteerd binnen de (beoogde) groeiplaats van bomen en (beoogde) standplaats van lichtmasten.
8.
Er zijn geen bouwwerken, bomen, lichtmasten en VRI’s geprojecteerd boven of in de nabijheid van riolering, kabels en leidingen. De afstand is afhankelijk van de diepte; hierbij een hoek van maximaal 45 graden aanhouden.
9.
In de bestrating boven kabel- en leidingstroken zijn straatpotten opgenomen ten behoeve van brandkranen, afsluiters en dienstkranen. Appendages in parkeervakken zijn niet toegestaan.
Hoofdstuk 11 › Paragraaf 11.1
Artikel 11.1.2
Situering
Onderdeel van Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) 2023