1.
Bij het inrichten van een bouwterrein is de bij de aanleg van een (tijdelijke) bouwweg gebruik gemaakt van asfalt, klinkers op zijn kop of bedrijfsvloerplaten. Puin/menggranulaat is niet toegestaan.
2.
Opengestelde wegen voor verkeer zijn heel, veilig en schoon.
3.
Bij het uitvoeren van projecten met zwaar materieel over bestaande voet- en fietspaden, zijn rijplaten over de bestaande verharding gelegd.
4.
Bij herstraten van bestaande betontegels zijn de gebroken en slechte betontegels vervangen. De nieuwe tegels zijn in één aaneengesloten vak verwerkt. Hierbij zijn oude en nieuwe tegels gescheiden gehouden.
5.
Bij het uitvoeren van projecten waarbij zwaar materieel is gebruikt, is een nulsituatie van het werk en de omgeving (woningen, bomen, kunstwerken, enz) opgenomen. Het eventueel terugbrengen in de oorspronkelijke situatie is voor rekening van de initiatiefnemer.
Opnamemethodiek vastleggen in uitvoeringsbestek.
6.
Bij het aanbrengen van asfaltverhardingen geen langslassen toepassen. Evt. afwijking daarvan in overleg en na goedkeuring van team beheer. De langslassen zijn na goedkeuring warm in warm met meerdere afwerkmachines over de gehele wegbreedte aangebracht. In verband met de verscherpte eisen ten aanzien van de beschikbare vrije ruimte bij werk in uitvoering is een volledige afsluiting vereist, zodat de vereiste uitvoeringswijze eenvoudig is te realiseren.
7.
Op locaties waar langslassen niet warm in warm zijn aan te brengen, zijn deze tenminste buiten de rijsporen aangebracht. In voorkomende gevallen naadverwarming toepassen, eea in overleg met- en na goedkeuring van team beheer.
Hoofdstuk 14 › Paragraaf 14.4
Artikel 14.4.1
Wegen/verharding
Onderdeel van Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) 2023