1.
Er zijn geen lichtmasten boven het tracé van de riolering geplaatst.
2.
De locaties van lichtmasten, zweepmasten en verkeersportalen leveren geen gevaar op voor de verkeersveiligheid (overzichtelijkheid verkeerssituatie). De verkeersveiligheid is goedgekeurd in het Verlichtingsplan.
3.
De afstand tussen een lichtmast en een boom bedraagt meer dan 5 m.
4.
De afstand tussen een lichtmast en een gevel bedraagt meer dan 1 m.
5.
Eventuele montageluiken zijn te allen tijde toegankelijk voor beheer en onderhoud.
6.
Op lichtmasten zijn de regels van het Handboek Plaatsing OV van toepassing.
7.
Lichtmasten zijn tegen de erfgrens geplaatst, in de openbare ruimte.
8.
Mastafstanden:
Verblijfsgebieden : gelijkmatigheid van 0,15 – lichtsterkte 3 lux;
Parkeerplaatsen : gelijkmatigheid van 0,15 – lichtsterkte 3 lux;
Winkelstraten : gelijkmatigheid van 0,2 – lichtsterkte 4 lux;
Bedrijventerreinen : gelijkmatigheid van 0,15 – lichtsterkte 3 lux;
Doorgaande wegen : een klasse lager na ROVL- determinatie.
Hoofdstuk 9 › Paragraaf 9.2
Artikel 9.2.1
Situering
Onderdeel van Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) 2023