Naar hoofdinhoud
1.. De directeur-bestuurder stelt Gedeputeerde Staten tijdig in kennis van krachtens mandaat te nemen of reeds genomen besluiten, waarvan hij redelijkerwijs moet aannemen dat kennisneming door hen gewenst is. 2.. Kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval plaats indien: de maatschappelijke, beleidsmatige, politieke, juridische of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven; het besluit ertoe kan leiden dat de provincie aansprakelijk wordt gesteld. 3.. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een voorgenomen besluit bepalen dat van het bij of krachtens dit mandaatbesluit verleende mandaat geen gebruik mag worden gemaakt. 4.. Gedeputeerde Staten voorzien de directeur-bestuurder van alle benodigde informatie ten behoeve van de invulling van zijn mandaat.

Rechtspraak bij dit artikel