Behoudens een weigering op grond van de Wet bibob moet de verhuurvergunning opkoopbescherming in elk geval worden verleend als:
de woonruimte in gebruik wordt gegeven aan een woningzoekende die een bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad heeft met de eigenaar;
de eigenaar na de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering van die woonruimte aan hem ten minste 12 maanden zijn woonadres als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel o, onder 1° van de Wet basisregistratie personen, in die woonruimte heeft en de eigenaar met een woningzoekende schriftelijk overeenkomt dat de woningzoekende de woonruimte voor een termijn van ten hoogste 12 maanden, anders dan voor toeristische verhuur, in gebruik neemt, of
de woonruimte onlosmakelijk deel uitmaakt van een winkel-, kantoor- of bedrijfsruimte.
In de gevallen genoemd in lid 1 wordt de persoon aan wie de beschermde woonruimte wordt verhuurd en die de huurder is op grond van wiens hoedanigheid er recht is op de vergunning in de vergunning genoemd. De vergunning vervalt zodra deze huurder niet de huurder is die in de beschermde woonruimte verblijft.
HOOFDSTUK 4
Artikel 18
Gevallen waarin de verhuurvergunning opkoopbescherming moet worden verleend
Onderdeel van Huisvestingsverordening Vlissingen 2023