Voor de berekening van de tijdsduur, benodigd voor het verrichten van de
in de artikelen 3 en 4 genoemde diensten, worden deze geacht te zijn
aangevangen op het tijdstip van het vertrek van het voertuig en/of de
uitvoerend ambtenaar naar het aangegeven adres en te eindigen op het
tijdstip, waarop het voertuig en/of de uitvoerend ambtenaar weer voor
andere diensten beschikbaar is.