Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.3

Afwijkingsmogelijkheden

Onderdeel van Nota Parkeernormen Oss 2023

Het parkeernormenbeleid van de gemeente is erop gericht dat bij (nieuw)bouwontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd voor auto’s en fietsen, zodat een goede parkeersituatie is geborgd. Hiervoor gelden een paar uitzonderingen. In deze paragraaf worden deze uitzonderingen behandeld. De nabijheid van een HOV-halte of treinstation kan invloed hebben op het gemiddelde autobezit. Aangezien het effect hiervan is verwerkt in de gebiedsindeling, en daarmee in de parkeernormen, is de nabijheid van een HOV-halte of treinstation geen reden voor een verdere verlaging van de parkeernorm. Benutten bestaand parkeeraanbod elders Vanuit het principe ‘eerst benutten dan bouwen’ kan vrijstelling worden verleend op het realiseren van het benodigde parkeeraanbod als in de omgeving op acceptabele loopafstand in de nodige parkeerruimte wordt voorzien. Voorwaarde is wel dat onderbouwd wordt waarom niet het volledige benodigde parkeeraanbod op eigen terrein gerealiseerd kan worden. Daarnaast moet aangetoond worden dat de alternatieve parkeerruimte daadwerkelijk duurzaam beschikbaar is op tijden dat die nodig zijn voor de parkeerbehoefte van de ontwikkeling. Tevens kan voor vervangende parkeerruimte een beroep worden gedaan op de openbare ruimte in de directe omgeving (op acceptabele loopafstand van de ontwikkeling) als na onafhankelijk onderzoek blijkt dat daarmee de parkeerdruk in die openbare ruimte ook na realisatie van de ontwikkeling op alle momenten in de week onder de 85% zal blijven. De kosten van het onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. Voorafgaand aan het onderzoek dient de initiatiefnemer de uitgangspunten van het onderzoek (onderzoeksgebied en onderzoeksdagen en -tijden) met de gemeente af te stemmen. Of van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, is afhankelijk van de impact die de ontwikkeling heeft op de openbare ruimte en de omgeving. Zo heeft gebruik maken van restcapaciteit op een parkeerterrein veel minder impact dan gebruik maken van restcapaciteit in bestaande woonstraten. En in bestaande woonstraten 10 extra’s auto’s opvangen heeft minder impact dan 40 extra auto’s opvangen. Aan deze afwijkingsmogelijkheid is daarom de voorwaarde gekoppeld dat de (kwalitatieve) impact van het gebruik van restcapaciteit in de openbare ruimte naar oordeel van de gemeente acceptabel is. Parkeerplaatsen buiten plangebied realiseren Het uitgangspunt is dat het parkeren binnen het plangebied moet worden opgelost. Er zijn redenen denkbaar wanneer het onmogelijk of onwenselijk is om parkeerplaatsen binnen het plangebied te realiseren. Dit is bijvoorbeeld het geval als: het fysiek onmogelijk is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren, bijvoorbeeld bij bestaande panden, zoals rijwoningen; de ontwikkeling is gelegen in een voetgangersgebied waarbij het pand buiten venstertijden niet voor gemotoriseerd verkeer bereikbaar is; het ruimtelijk gezien niet wenselijk is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren (bijvoorbeeld als dit het monumentale karakter van de omgeving aantast) het financieel niet haalbaar is om een parkeervoorziening op eigen terrein te realiseren. Indien het onmogelijk of onwenselijk is om parkeerplaatsen binnen het plangebied te realiseren, kan de initiatiefnemer onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de parkeerplaatsen op acceptabele loopafstand in de openbare ruimte te realiseren. Op die manier kan toch aan de parkeereis worden voldaan waarbij wordt afgeweken van de eis dat het parkeren binnen het plangebied moet worden opgelost. De gemeente toetst of het plan van de initiatiefnemer om de parkeerplaatsen in de openbare ruimte te realiseren op een kwalitatief goede manier haalbaar is. Indien dit mogelijk is, realiseert de initiatiefnemer deze parkeerplaatsen op basis van de eisen zoals zijn opgenomen in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte. Wanneer het niet mogelijk is de parkeerplaatsen op een kwalitatief goede manier in de openbare ruimte te realiseren, is op dit punt geen afwijking mogelijk. Mobiliteitsplan (binnenstad en centraal stedelijk woonmilieu) Wanneer de parkeerbehoefte van een specifieke ontwikkeling lager ligt dan de parkeerbehoefte die op basis van de parkeernorm wordt berekend, is het mogelijk om op basis van een Mobiliteitsplan af te wijken van de parkeernorm. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt alleen voor ontwikkelingen in de binnenstad en in het centraal stedelijk woonmilieu. In het Mobiliteitsplan wordt in ieder geval ingegaan op: Mobiliteitsconcept: op welke wijze voorziet de doelgroep in haar mobiliteit. Doelgroepenanalyse: welk wezenlijk ander gedrag vertoont de doelgroep, waardoor een lagere parkeerbehoefte wordt verwacht; Mobiliteitsconcept Binnen het onderdeel mobiliteitsconcept wordt beschreven hoe voor de doelgroep(en) in de mobiliteitsoplossing wordt voorzien. Dit kan, naast de traditionele oplossing met het realiseren van auto- en fietsparkeerplaatsen ook met nieuwe mobiliteitsconcepten. Nieuwe mobiliteitsconcepten die aansluiten bij de mobiliteitsbehoefte van de doelgroep, kunnen resulteren in een lager dan gemiddelde parkeerbehoefte. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de inzet van deelauto’s. Bij de inzet van mobiliteitsconcepten moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: maximaal 20% van de parkeerbehoefte van bewoners kan worden opgelost met deelauto’s. Hierbij vervangt 1 deelauto 4 reguliere parkeerplaatsen. deelauto’s krijgen een eigen parkeerplaats en doen niet mee in het dubbelgebruik; er zijn (ruim) voldoende fietsparkeerplaatsen opgenomen in het plan; het plan heeft een initiële parkeereis voor bewoners van minimaal 40 parkeerplaatsen, oftewel er worden minimaal 2 deelauto’s ingezet; de aanwezigheid van deelmobiliteit moet langdurig (minimaal 10 jaar) worden gegarandeerd, waarbij moet worden aangetoond dat er sprake is van een gezonde businesscase inzake het aanbieden van deelmobiliteit; er moet een plan B worden geschetst: wat gebeurt er als de deelmobiliteit niet wordt gebruikt en wie heeft welke verantwoordelijkheid in dit plan B? De deelauto(s) dienen bij voorkeur openbaar toegankelijk te worden geplaatst, zodat ook de omgeving er gebruik van kan maken. Bewoners van het plan waar deelmobiliteit is toegepast, worden uitgesloten van de aanvraag van een parkeervergunning. Dit geldt ook als in de toekomst parkeerregulering wordt ingesteld. Doelgroepenanalyse Wanneer door de initiatiefnemer afdoende kan worden onderbouwd dat de parkeerbehoefte van de ontwikkeling voor een langere periode (de komende 10 jaar) lager ligt dan berekend met de parkeernorm, kan hiervan worden afgeweken. Hierbij dient de initiatiefnemer te onderbouwen dat: de doelgroep wezenlijk anders is dan het gemiddelde gedrag; een lagere parkeerbehoefte wordt verwacht. Bij het opstellen van de doelgroepenanalyse kan de initiatiefnemer bijvoorbeeld gebruik maken van zijn reeds eerder opgestelde business- of ondernemingsplan. Bij het opstellen van deze plannen is reeds aandacht besteed aan de specifieke bezoekersdoelgroep, de formule, verwachte bezoekersaantallen en verzorgingsgebied. Deze gegevens worden gebruikt ter aanvulling bij de onderbouwing van de parkeerbehoefte. Wanneer op basis van de doelgroepenanalyse minder parkeerplaatsen gerealiseerd hoeven worden, worden de toekomstige gebruikers uitgesloten van de aanvraag van een parkeervergunning (alle typen). Dit geldt ook als in de toekomst parkeerregulering wordt ingesteld. Zwaarwegend belang In uitzonderlijke gevallen, wanneer andere belangen zwaarder wegen dan het verkeers-/parkeerkundige belang, bijvoorbeeld wanneer grote economische of volkshuisvestelijke voordelen verwacht worden van het realiseren van de ontwikkeling, kan conform het Bestemmingsplan (ex 2:10 lid 2 Wabo) worden afgewogen of het wenselijk en mogelijk is om af te wijken van de eis om op eigen terrein een parkeeroplossing te bieden voor de gehele parkeerbehoefte. In deze gevallen kunnen aanvullende afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld over het realiseren van extra fietsvoorzieningen of het realiseren van groen. De initiatiefnemer moet zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning in dat geval voorzien van een onderbouwing van de noodzaak om af te wijken. Dit betekent dat tenminste afdoende moet zijn onderbouwd dat het benodigde parkeeraanbod niet (volledig) op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Daarnaast moeten de (verkeerskundige) effecten die de ontwikkeling (eventueel) heeft op de omgeving, onderbouwd worden, met daarbij de maatregelen die worden genomen om deze effecten zo veel mogelijk te beperken. Omdat het van belang is dat bij afwijkingen de noodzaak en de effecten zorgvuldig worden afgewogen, worden alle afwijkingen op basis van zwaarwegend belang voldoende gemotiveerd ter besluitvorming voorgelegd aan het college.

Rechtspraak bij dit artikel