Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Voorschriften, instructies en begrenzing

Onderdeel van Mandaatbesluit Omgevingsdienst de Vallei gemeente Barneveld

1.. De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden geschiedt binnen de grenzen en met inachtneming van de ter zake voor het bestuursorgaan geldende wettelijke regelingen en beleidsregels. 2.. Het bestuursorgaan kan de directeur algemene instructies en instructies per geval geven omtrent de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Als sprake is van ondermandatering, is de directeur gehouden deze instructies onverwijld aan de betreffende ondergemandateerden door te geven, onverminderd de bevoegdheid van het bestuursorgaan dit zelf te doen. 3.. Voor zover de algemene instructies niet in dit besluit zijn opgenomen, worden deze op schrift gesteld in een afzonderlijke mandaatinstructie. 4.. Als instructies per geval worden gegeven, geschiedt dit schriftelijk en op een zodanig tijdstip dat de inachtneming of tijdige verdaging van beslistermijnen gewaarborgd wordt. 5.. De volgende algemene instructies gelden voor de directeur: De directeur mag geen gebruik maken van het mandaat als te verwachten is dat het bestuursorgaan of de portefeuillehouder door de raad of door raadsleden op zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken. Om dit te bepalen, dient tijdig overleg plaats te vinden tussen het bestuursorgaan en de directeur; en De directeur mag alleen van het mandaat gebruik maken, als het bestuursorgaan de taak waaraan de gemandateerde bevoegdheid gekoppeld is, ter uitvoering ingebracht heeft in de omgevingsdienst, zoals blijkt uit schriftelijke afspraken hierover tussen het bestuursorgaan en de omgevingsdienst. 6.. De omvang van de door het bestuursorgaan aan de directeur verleende mandaten kan ook anderszins begrensd worden dan bepaald in het vorige lid. Dit geschiedt door vermelding bij het betreffende mandaat in de kolom van de lijst van bevoegdheden die aangeduid is met ‘begrenzing’.

Rechtspraak bij dit artikel