Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9. › Paragraaf 9.3.

Artikel 9.3.2.

Emissiegrenswaarden agrarische bedrijven

Onderdeel van Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ODMH 2023-2026

Voor alle veehouderijen wordt, bij een actualisatie, een emissiegrenswaarde voor fijnstof en ammoniak bepaald die uitgaat van de meest doeltreffende toepassing van de beslissingsruimte van het bevoegd gezag uit het beoordelingskader van artikel 4.22 Omgevingswet en eventueel uit het aanvullende beoordelingskader in de provinciale omgevingsverordening. Het doel is dat resultaat wordt geboekt voor schone lucht. Dit wil zeggen dat een beslissing wordt genomen die resultaatgericht is op basis van de volgende beoordelingen en afwegingen: Zoveel mogelijk preventie op basis van maatregelen die milieuschade voorkomen; Zoveel mogelijk preventie op basis van maatregelen die gezondheidsrisico’s vermijden; Toepassing van de best presterende BBT (dus niet altijd de onderkant van een emissie-range) om tot de scherpst mogelijke emissiegrenswaarde te komen die geassocieerd kan worden met die best presterende BBT; Vermijden van significante effecten in de omgeving van het bedrijf, gelet op de geldende omgevingswaarden voor fijnstof en ammoniak, alsmede gelet op de regels in het Omgevingsplan die gesteld zijn vanwege het evenwicht tussen de functies in het gebied.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel