Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1. › Paragraaf 1.2.

Artikel 1.2.2.

Wettelijk kader en reikwijdte van het afwijkingenbeleid

Onderdeel van Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteit gemeente Duiven

Wettelijk kader Het omgevingsplan is met ingang van de Omgevingswet het planologisch regime waaraan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en verzoeken worden getoetst. In het omgevingsplan worden regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo staat hierin bijvoorbeeld aangegeven waar kan worden gebouwd, met welke afmetingen en hoe percelen en gebouwen mogen worden gebruikt. Wanneer een activiteit (bouwplan of gebruikswijziging) niet valt onder de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen (artikel 2.15f Besluit bouwwerken leefomgeving en artikel 22.36 bruidsschat omgevingsplan) en in strijd is met de regels in het omgevingsplan, kan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden afgeweken van het omgevingsplan. Hiervoor bestaan twee varianten: Sprake is van een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het is volgens de beoordelingsregels niet mogelijk de vergunning te verlenen. Sprake is van een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Het verlenen van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geen verplichting, maar een bevoegdheid van het bevoegd gezag (het College van burgemeester en wethouders). Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikelen 8.0 - 8.0e van het Bkl). En, voor de eerst genoemde variant tevens de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl). Hiervan is geen sprake wanneer de activiteit in strijd is met de omgevingsvisie, programma’s of ander relevant gemeentelijk beleid. Op grond van artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een aan het bestuursorgaan toekomende bevoegdheid, zoals de bevoegdheid om af te kunnen wijken van het omgevingsplan. Reikwijdte beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteit Dit beleidskader bevat beoordelingsregels voor de categorieën van gevallen die voorheen waren opgenomen in artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Het gaat daarbij om veel voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen zoals het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, het plaatsen van een grondgebonden zonnepaneleninstallatie en het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Met de invoering van de Omgevingswet zijn de rijksregels voor deze activiteiten komen te vervallen en is het aan de gemeente zelf om te bepalen of zij al dan niet medewerking wil verlenen. En zo ja, onder welke voorwaarden. Het besluit om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen dient altijd gemotiveerd te worden. Om die reden is het wenselijk het voorheen geldende afwijkingenbeleid te continueren, zodat het voor inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en medewerkers vooraf duidelijk is in welke gevallen medewerking kan worden verleend. En voorkomen wordt dat ad hoc op bepaalde verzoeken wordt gereageerd. Ook voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijkingsmogelijkheden genoemd in het omgevingsplan) is het zinvol om een aanvullend afwegingskader te hebben. Dit algemene afwijkingsregels in dit beleidskader voorzien hierin.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel