Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3:2

Omgevingsvergunning

Onderdeel van Erfgoedverordening Den Haag 2024

1. . Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een beschermd gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren of in enig opzicht te wijzigen; te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; indien het een roerend monument betreft: te vernietigen, in enig opzicht te wijzigen of te verplaatsen buiten de gemeentegrenzen. 2. . In aanvulling op het eerste lid is een omgevingsvergunning niet noodzakelijk indien de werkzaamheden betrekking hebben op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; uitsluitend inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat naar oordeel van het college uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; een onderdeel van het monument waar de vanwege-bescherming niet op ziet; een monument dat als begraafplaats in gebruik is, en met inachtneming van de monumentale waarden één van de volgende activiteiten plaatsvinden: het plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; het doen van begravingen of asbijzettingen; het ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. het aanbrengen van zonnepanelen op een plat dakvlak, onder de volgende voorwaarden: de panelen zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte; de panelen worden parallel aan de dakrand gelegd; de panelen liggen; de bestaande dakbedekking wordt gehandhaafd; en de panelen houden voldoende afstand van dakranden. het vervangen van glas, onder de volgende voorwaarden: er geen sprake is van bewerkt glas of glas in lood; het nieuwe glas past in de bestaande sponning, die daartoe indien nodig uitgefreesd wordt; en de bestaande detaillering van het raam blijft gehandhaafd. 3. . Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 4. . De regels zoals bedoeld in het derde lid kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Rechtspraak bij dit artikel