Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Belastbaar feit en belastingplicht

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024

1. Onder de naam 'rioolheffing' wordt een belasting geheven van de eigenaar van een perceel, welke tot bewoning dient, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering kan worden afgevoerd. Verder te noemen: eigenarendeel woningen. 2. Onder de naam 'rioolheffing' wordt een belasting geheven van de eigenaar van een perceel, welke niet tot bewoning dient, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering kan worden afgevoerd. Verder te noemen: eigenarendeel niet-woningen. 3. Onder de naam 'rioolheffing' wordt een belasting geheven van de eigenaar van een perceel, welke als garagebox dient, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering kan worden afgevoerd. Verder te noemen: eigenarendeel garagebox. 4. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, tweede lid en derde lid wordt voor het eigenarendeel: a. als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op 1 januari van het belastingjaar, als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is; b. dan wel degene die op 1 januari van het belastingjaar, naar omstandigheden beoordeeld, als eigenaar kan worden aangemerkt, ofwel zich als zodanig bekend maakt. 5. Onder de naam 'rioolheffing' wordt een belasting geheven van de gebruiker van een perceel, zijnde een woning of een niet-woning, dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 6. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het vijfde lid wordt voor het gebruikersdeel: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel