Naar hoofdinhoud
1.. De accountantscontrole van de jaarrekening als bedoeld in artikel 213, lid 2 van de Gemeentewet, wordt opgedragen aan een door de raad te benoemen accountant. De opdracht aan de accountant geschiedt voor een door de raad vast te stellen periode. 2.. Het college bereidt in overleg met de raad de opdrachtverlening van de accountantscontrole voor. 3.. De raad stelt voor de opdrachtverlening van de accountantscontrole het programma van eisen vast. Het programma van eisen bevat voor de jaarlijkse accountantscontrole in ieder geval: de toe te passen goedkeuringstoleranties bij de accountantscontrole, de verantwoordingsgrens door het college en afwijkende rapportagegrenzen; de apart te controleren deelverantwoordingen en de daarbij toe te passen omvangsbases; en goedkeuringstoleranties en afwijkende rapporteringstoleranties; de inrichtingseisen voor het verslag van bevindingen; de aanvullende uit te voeren tussentijdse controles; de frequentie en inrichtingseisen van de aanvullende tussentijdse rapportering, zoals de management letter; de posten van de jaarrekening met bijbehorende afwijkende rapporteringstoleranties, waaraan de accountant bij zijn accountantscontrole specifiek aandacht dient te besteden; de gemeentelijke producten of organisatieonderdelen met bijbehorende afwijkende rapporteringstoleranties, waaraan de accountant bij zijn accountantscontrole specifiek aandacht dient te besteden. 4.. In afwijking van het derde lid, aanhef, kan de raad in het programma van eisen opnemen, dat de raad jaarlijks voorafgaand aan de accountantscontrole in overleg met de accountant de onder f en g genoemde onderdelen vaststelt. Speerpunten worden jaarlijks door de jaarrekeningcommissie vastgesteld. 5.. De raad stelt de selectiecriteria en per selectiecriterium de bijbehorende wegingsfactoren vast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel