Subsidieverlening kan naast de in de artikelen 4:25 en 4:35 Awb, artikel 7 van deze regeling en artikel 9 van de ASV geregelde gevallen ook (deels) geweigerd worden indien:
Niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;
Uit de financiële beoordeling blijkt dat de organisatie financieel ongezond is kijkend o.a. naar liquiditeit, solvabiliteit, exploitatieresultaat, ontwikkeling van deze ratio’s in de tijd en de uitleg door de subsidieaanvrager over de financiële gezondheid;
Uit de financiële beoordeling blijkt dat het aangevraagde subsidiebedrag hoger is dan hetgeen noodzakelijk is voor de uitvoering van de activiteiten;
De aanvraag niet voldoet aan voorwaarden die zijn gesteld in artikel 6 om voor subsidie in aanmerking te komen;
De adviescommissie onvoldoende vertrouwen heeft in de criteria genoemd in artikel 6 leden 2d en 2e;
Er naar het oordeel van de adviescommissie al voldoende aanvragen ondersteund zijn binnen een bepaalde kunstdiscipline, culturele functies of beleidslijnen uit de cultuurnota;
Subsidieverlening zou leiden tot strijd met artikel 107 van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie (verbod op staatssteun) en deze steun niet vrijgesteld is op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening van de Europese Commissie of een andere verordening, richtlijn of besluit van de Europese Commissie;
Een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de bijdrage is aangevraagd;
Een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de continuïteit van de activiteiten van de aanvrager niet voldoende is gewaarborgd;
Het gevraagde bedrag de maxima gesteld in artikel 4 overschrijdt;
Het door het college vastgestelde subsidieplafond bereikt is.
Artikel 14.
Wanneer wordt subsidie geweigerd?
Onderdeel van Subsidieregeling Professionele Kunsten ‘s-Hertogenbosch 2025 – 2028