Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 6

Artikel 3.6.1

Weigeringsgronden

Onderdeel van Huisvestingsverordening Amsterdam 2024

In verband met woonruimtevoorraad Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren indien: het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer woonruimten bevat die worden verhuurd of die laatstelijk verhuurd zijn geweest; de maximale huurprijs voor één of meer van die woonruimten onder de liberalisatiegrens ligt; niet gewaarborgd is dat die woonruimte(n) na de voorgenomen splitsing in gebruik blijft (of blijven) voor verhuur ter bewoning; het belang dat de aanvrager heeft bij splitsing niet opweegt tegen het belang van behoud en samenstelling van de woonruimtevoorraad, voor zover die voor verhuur is bestemd; en, indien het een gebied betreft waarvoor een maximum aantal te splitsen woningen is vastgesteld op grond van artikel 3.6.4, dat dit quotum met inwilliging van de aanvraag zou worden overschreden. In verband met belemmering van de stadsvernieuwing Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning eveneens weigeren indien: het gebouw is gelegen op gronden die in het omgevingsplan zijn aangewezen als locatie waar de daar aanwezige bouwwerken moeten worden gemoderniseerd of worden vervangen door gelijksoortige bebouwing, dan wel voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is ingediend een wijziging daarvan in procedure is waarin die gronden worden aangewezen als moderniseringslocatie als bedoeld in artikel 4.18 van de Omgevingswet; de voorgenomen splitsing naar het oordeel van burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor de doelstelling van de aanwijzing tot moderniseringslocatie; het belang dat de aanvrager bij splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de modernisering. In verband met de toestand van het gebouw Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning ten slotte weigeren indien: de toestand van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud geheel of ten dele verzet; en, de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden verholpen, dan wel onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden opgeheven. Van gebreken als bedoeld in het derde lid is in ieder geval sprake indien: het treffen van voorzieningen noodzakelijk is omdat het niveau van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft niet voldoet aan het niveau van de regels in hoofdstuk 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of, het treffen van voorzieningen naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Woningwet of artikel 3.7, vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Burgemeester en wethouders kunnen tegelijk met de beslissing op de aanvraag om splitsingsvergunning een besluit nemen tot het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 13 van de Woningwet, dan wel artikel 3.7, vierde lid van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Burgemeester en wethouders kunnen in verband met de toestand van het gebouw aan de splitsingsvergunning nadere voorwaarden verbinden. In verband met de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel