2.1 Algemeen
Het uitgangspunt is dat de jeugdige, zijn ouders of de cliënt een voorziening ‘in natura’ krijgen. De mogelijkheid van het toekennen van een budget bestaat echter wel indien de jeugdige, zijn ouder of de cliënt dit wensen en voldoen aan de voorwaarden die aan een persoonsgebonden budget worden gesteld. Een pgb kan een geschikt instrument zijn voor de jeugdige en zijn ouders of de cliënt, om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. De gemeente streeft ernaar dat een pgb niet noodzakelijk is, omdat alle gewenste voorzieningen op lokaal niveau aanwezig zijn, maar beseft hierbij dat dit niet in alle gevallen mogelijk is. Belangrijk is wel dat belanghebbenden vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben.
Deze voorlichting zal tijdens het onderzoek worden gegeven. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de lijst met 10-punten voor pgb-vaardigheid (bijlage 1). Wie een pgb heeft gekregen, kan voor voorlichting en ondersteuning (ook) terecht bij het servicecentrum pgb van de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Voor de Jeugdwet en de Wmo 2015 geldt de verplichting dat gemeenten pgb's uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
2.2 Plan van aanpak pgb/pgb plan
Als een jeugdige of ouder of een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening, maar de hulp of ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een pgb plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb plan dient te zijn opgenomen:
De motivatie waarom het natura aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is. Uit de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op het aanbod in natura.
Welke jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning de jeugdige, zijn ouders of de cliënt gezien de hulpvraag wil inkopen met het pgb en wat het beoogde resultaat is;
Indien de aanvrager een persoon uit het sociaal netwerk wil betrekken, een onderbouwing waarom dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
Op welke wijze het beoogde resultaat bijdraagt aan de doelen gesteld in het persoonlijk plan.
De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp of de maatwerkvoorziening georganiseerd wordt;
Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp of de maatwerkvoorziening is gewaarborgd;
De kosten van de uitvoering, uitgedrukt in het aantal eenheden en tarief.
2.3 Toetsing (wettelijke) voorwaarden pgb
2.3.1 Op grond van artikel 8.1.1 lid 2a van de Jeugdwet en artikel 2.3.6, lid 2 onder a van de Wmo 2015 toetst het college in het gesprek de pgb-bekwaamheid van de jeugdige en zijn ouders of de cliënt of zijn gewaarborgde hulp aan de hand van de 10 punten pgb-vaardigheid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (opgenomen in bijlage 1).
2.3.2 Op grond van artikel 8 lid 1.1 lid 2c van de Jeugdwet of artikel 2.3.6, lid 2 onder c juncto artikel 2.3.6, lid 3 onder a van de Wmo 2015 beoordeelt het college of de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken oftewel de maatwerkvoorziening die met het pgb betrokken zal worden van goede kwaliteit is. Hierbij gaat het voor de gemeente c.q. het college om het beoordelen van de doelmatigheid van de inzet van de gewenste jeugdhulp of maatwerkvoorziening door (zelfstandige) professionele hulpverleners en het sociaal netwerk. Het college beoordeelt of deze hulp passend en toereikend is gelet op de problematiek en de ontwikkeldoelen van de jeugdige of de cliënt.
In artikel 13 van de verordening zijn de kwaliteitseisen opgenomen. Uit lid 3 volgt dat voor professionele (zelfstandige) aanbieders van jeugdhulp die worden ingekocht met een pgb de kwaliteitseisen gelden zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet. Het gaat hierbij om de volgende kwaliteitseisen:
Bieden verantwoorde hulp, die veilig, doeltreffend, doelmatig, en cliëntgericht is en afgestemd op de behoefte van het kind of de ouder.
Hebben van kwalitatief en kwantitatief voldoende personeel zodat ze verantwoorde hulp kunnen bieden (norm van verantwoordelijkheidstoedeling).
Werken met een familiegroepsplan, hulpverleningsplan of plan van aanpak.
Hebben van een kwaliteitssysteem.
Werken met medewerkers die een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hebben.
Hebben van een verplichte meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling.
Hebben een meldplicht bij calamiteiten en geweld.
Hebben een vertrouwenspersoon.
Hebben een klachtenregeling en –commissie.
Hebben een cliëntenraad.
Deze kwaliteitseisen gelden niet voor hulp die wordt geboden door het sociaal netwerk. Daarvoor gelden de voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 7.3 van de verordening.
2.4 Welke kosten mogen worden betaald uit het pgb
In de Jeugdwet 2015 en de Wmo 2015 wordt gesteld dat een jeugdige of de cliënt met zijn pgb een gelijkwaardige voorziening of ondersteuning moet kunnen treffen dan in natura verkrijgbaar is. Eventuele ondersteuning wordt door het pgb servicecentrum van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor belanghebbende gratis geboden; dus hier zijn geen kosten voor opgenomen in het pgb. Uitgangspunt is dat het pgb bedoeld is om hulp en ondersteuning in te kopen. De hoogte van een pgb voor ondersteuning is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:
Bemiddelingskosten;
Administratiekosten (waaronder aanvragen en beheren van het pgb);
Feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;
Reis- en verblijfskosten van de zorgverlener(s);
Kosten die gerelateerd zijn aan tussenpersonen of belangenbehartigers.