Voor veel mensen met een handicap vormt het traplopen een grote belemmering. Er is een indicatie voor aanpassing wanneer:
**a..** de gebruiker beperkt is in de frequentie van het traplopen. Onderzocht dient te worden in hoeverre dit belemmerend is in het uitvoeren van dagelijkse handelingen, alvorens aan voorzieningen te denken;
**b..** het traplopen op een niet veilige manier gebeurt;
**c..** traplopen motorisch gezien onmogelijk of medisch gezien niet verantwoord is.
Bij de beoordeling wordt ook gekeken naar de reden van het gebruik van de trap en in hoeverre iemand belemmerd wordt in het opheffen van (ergonomische) beperkingen die het normale gebruik van de woning omvatten. Hieronder valt niet bijvoorbeeld het toegankelijk maken van de hobbykamer op zolder (zie ook hoofdstuk 2.10.4) of het toegankelijk maken van een logeerkamer. Bij het zoeken naar oplossingen zal eerst gekeken worden of het plaatsen van extra steunpunten het veilig traplopen mogelijk maken. Is dit niet het geval dan dient onderzocht te worden of het aanpassen middels een traplift het probleem van verticaal verplaatsen oplost en of dit bouwkundig gezien een oplossing is. Bij cliënten met een beperkte loopfunctie is een traplift een mogelijkheid. De gebruiker moet in staat zijn hier veilig gebruik van te maken. Het overstappen vanuit een (rol)stoel naar de stoel van de traplift moet veilig uitgevoerd kunnen worden. Trapliften worden in bruikleen verstrekt. Door de gemeente wordt met de leverancier een onderhoudscontract afgesloten. Wanneer iemand volledig rolstoelafhankelijk is, is het gebruik van een plateaulift of woonhuislift een mogelijke oplossing. Dit vergt bouwkundig gezien veelal zo'n grote ingreep dat het jaarlijks vastgestelde drempelbedrag voor het primaat van verhuizen wordt overschreden, ook omdat er veelal andere aanpassingen in de woning noodzakelijk zijn.
Hoofdstuk
Artikel 1.9.2