Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1

Artikel 57

Kwijtschelding bij niet verwijtbare vorderingen

Onderdeel van Verzamelbeleidsregels P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015

1.. Op verzoek van de belanghebbende kan van verdere invordering worden afgezien indien de belanghebbende: gedurende drie jaar -te berekenen vanaf het verzoek- volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, en 75% van de openstaande schuld is afbetaald; gedurende drie jaar -te berekenen vanaf het verzoek- niet volledig aan zijn vastgestelde betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddeld inkomen van belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, maar het achterstallig bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten alsnog heeft betaald, en 75% van de nog openstaande schuld ineens heeft betaald; drie termijnen van de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan en aansluitend of tegelijkertijd 75% van het dan resterende bedrag van alle terugvorderingen ineens betaald. 2.. Van invordering kan worden afgezien bij een openstaand bedrag van € 100,- of lager als deze niet via verrekening kan worden ingevorderd. 3.. De termijn genoemd onder lid 1 a en b wordt verlengd met de periode: waarin de debiteur gedetineerd is geweest en/of; waarin een maatregel is opgelegd, waardoor de aflossingsverplichting niet kon worden nagekomen.

Rechtspraak bij dit artikel