Naar hoofdinhoud
1.. Het college verleent aan de directeur mandaat tot het namens het college nemen van besluiten verband houdend met regels gesteld in de Algemene wet bestuursrecht, APV en het omgevingsplan, voorzover deze regels zijn opgesteld in het belang van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en goede omgevingskwaliteit en verband houden met taken en bevoegdheden die in de gemeenschappelijke regeling van de omgevingsdienst en/of dienstverleningsovereenkomsten zijn vastgelegd. 2.. Tot de aan de directeur door het college gemandateerde bevoegdheden behoren het namens het college vaststellen van: programma’s als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet die betrekking hebben op geluidreductie; geluidbelastingkaarten als bedoeld in artikel 20.17 Omgevingswet; en actieplannen geluid als bedoeld in artikel 3.6 Omgevingswet. 3.. De directeur is bij de uitoefening van de in het eerste en tweede lid genoemde bevoegdheden gebonden aan hetgeen in artikel 2, tweede en derde lid is bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel