Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.5.1

Artikel 3.86

Begripsbepaling

Onderdeel van Verordening Fysieke Leefomgeving Hulst (2023)

1.. In deze paragraaf wordt onder bebouwde kom verstaan: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1, sub a, jo. artikel 9.9, eerste lid, Wet natuurbescherming. 2.. In deze paragraaf wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 3.. Boom: een overblijvend houtig gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 cm. op een hoogte van 1.30 m. boven het maaiveld. Ingeval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; 4.. Dunnen: velling, die uitsluitend als verzorgingsmaatregel ten gunste van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. De houtopstand mag hierbij zijn functie en vorm niet verliezen. 5.. Houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; 6.. Vellen: rooien, kappen, verplanten, afzetten alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel