Met het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt beoogd te bereiken dat de aanvrager in staat is tot maatschappelijke participatie. De aanvrager moet in ieder geval datgene kunnen doen wat mensen, in het algemeen, van dag tot dag plegen te doen. Voor het grootste deel zijn dat routineverplaatsingen. Het betreft voornamelijk terugkerende activiteiten, zoals het doen van de dagelijkse boodschappen, het bezoeken van familie en kennissen, het zomaar buiten zijn en het deelnemen aan sportactiviteiten. Dergelijke verplaatsingen bevinden zich in de regel in de directe woon- en leefomgeving van de aanvrager. Daarnaast worden ook het bezoeken van een huisarts of specialist hiertoe gerekend.
Een vervoersvoorziening moet de aanvrager de mogelijkheid bieden nog in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van alledag. Op basis van jurisprudentie die gevormd is toen de Wvg nog van kracht was wordt een vervoervergoeding afhankelijk van de vervoersbehoefte van de aanvrager voor maximaal 1.500 km per jaar toegekend. Ten aanzien van de vervoersbehoefte wordt ingevolge artikel 26 van de Verordening in ieder geval rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (binnen een straal van 30 km) in het kader van het leven van alledag.
Een uitzondering kan ingevolge eerdergenoemd artikel gemaakt worden indien er sprake is van bovenregionaal contact met een persoon of personen in verband met welke bezoek noodzakelijk is voor de aanvrager om dreigende vereenzaming te voorkomen. Hierbij geldt dan eveneens dat er zowel voor regionaal als bovenregionaal vervoer maximaal 1.500 km per jaar worden vergoed.
Ook volgens diverse uitspraken van de Centrale Raad van Beroep heeft de zorgplicht betrekking op de directe woon- en leefomgeving van de aanvrager, tenzij het gaat om bezoek naar een wezenlijk contact buiten dat gebied dat alleen onderhouden kan worden door persoonlijk bezoek van de aanvrager en wanneer het wegvallen van dat contact zou leiden tot vereenzaming.
Recreatieve verplaatsingen, zoals fietsen kunnen onderdeel vormen van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-voorziening ook met deze verplaatsing rekening gehouden. Een hulpmiddel dat bijvoorbeeld aangevraagd wordt met het oog op incidenteel recreëren en ontspanning alleen, wordt niet in het kader van de Wmo verstrekt. Ook het bezoeken van huisarts of specialist in het ziekenhuis valt buiten de werking van de Wmo.
Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.2.
Het leven van alledag
Onderdeel van Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning Opsterland 2011