Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor AWBZ-bewoners.
Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van verminderd zelfstandige AWBZ-bewoners. Onder 'verminderd zelfstandigen' wordt verstaan verstandelijk gehandicapten, dementerende ouderen, personen met psychische ziekten of kinderen die nog te jong zijn om zonder begeleiding te kunnen reizen. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen.
Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instelling de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden.
Ook voor verminderd zelfstandigen die niet in een AWBZ-instelling verblijven geldt dat de geadviseerde vervoersvoorziening een voldoende deelname aan het maatschappelijk verkeer dient te waarborgen. Hierbij moet gedacht worden aan: wegloopgedrag bij tussentijdse stops of op de plaats van bestemming, plotselinge angsten en/of optredende verwarring onderweg, onverwacht agressief gedrag, ongepast gedrag, het niet kunnen onthouden van de gekozen bestemming, desoriëntatie en aanklampgedrag jegens medepassagiers of chauffeurs. Om deze redenen gelden voor de advisering van vervoersvoorzieningen aan personen met een verminderde zelfstandigheid, specifieke richtlijnen.
Bij het vervoer van 'verminderd zelfstandigen' kunnen twee vormen van begeleiding nodig zijn: één die geleverd wordt door de chauffeur en één die voor rekening komt van de wettelijke vertegenwoordiger of verzorger.
De tweede vorm bestaat uit het 'permanent bij de passagier zijn' om direct te kunnen reageren zodra zich onderweg of op het adres van herkomst of bestemming (gedrags)problemen voordoen.
Deze 'noodzakelijke begeleiding' dient geregeld te worden door diegene aan wie de zorg voor de betrokkene is toevertrouwd. In eerste instantie is dit de wettelijke vertegenwoordiger; in formele zin voogd of curator genoemd. In veel gevallen zijn dit nog de ouders.
In tweede instantie kan dit de instelling zijn waaraan deze wettelijke vertegenwoordiger de dagelijkse zorg voor de betrokkene heeft overgedragen.
Indien er (nog) geen sprake is van een wettelijk vertegenwoordiger, zoals bij beginnende dementie, is dit bijvoorbeeld de echtgenoot van de betrokkene of een gevolmachtigde zaakwaarnemer.
Voor het selecteren van de meest adequate voorziening zal bepaald moeten worden of er naaste de begeleidingsnoodzaak ook een fysieke beperking is om gebruik te kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer. Als deze fysieke beperking ontbreekt is een OV-begeleiderskaart voorliggend. Met een dergelijke kaart die aan te vragen is bij de Nederlandse Spoorwegen kan de gehandicapte zich gratis laten begeleiden bij het reizen per openbaar vervoer.
Voor het leveren van begeleiding door personeel van een instelling schaart de gemeente Opsterland zich achter de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze is van mening dat begeleiding vanuit een tehuis dient te worden verzorgd als ‘het bevorderen van de sociale redzaamheid door het bieden van agogische begeleiding’ één van de doelstellingen van het tehuis is. Dit is bijvoorbeeld in gezinsvervangende tehuizen het geval.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.2.4.
Vervoer voor verminderd zelfstandigen die al dan niet in een AWBZ-instelling wonen
Onderdeel van Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning Opsterland 2011