Indien personen met beperkingen geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer en een inkomen beneden de inkomensgrens hebben, kunnen zij een aanvraag doen voor een individuele (rolstoel-)taxikostenvergoeding of een kilometervergoeding voor het gebruik van vervoer door derden in het kader van sociaal vervoer. De kilometervergoeding stelt de aanvrager in staat om deel te nemen aan het leven van alledag. Aan de hand van de uitkomsten van het indicatie-onderzoek, en zonodig medisch advies, wordt beoordeeld of de aanvrager op grond van zijn beperkingen en vervoersbehoefte in aanmerking komt voor een individuele vervoersvoorziening. Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe omgeving in het kader van het leven van alledag. Hiervoor wordt een straal van 30 kilometer aangehouden. Alleen in uitzonderingssituaties, bij zwaarwegende omstandigheden, zoals dreigende vereenzaming, kan bovenregionaal vervoer meegerekend worden bij de vaststelling van de vervoersbehoefte. Dit houdt in dat een (rolstoel)taxirit tot en met 30 kilometer in aanmerking komen voor vergoeding via de vervoerskostenvergoeding Wmo. Alle kilometers die in een rit meer verreden worden dan 30 kilometer komen voor 100% voor rekening van de cliënt.
Het inkomen van de aanvrager wordt berekend door het Informatiepunt Wmo. De berekeningswijze is opgenomen in bijlage I van het Financieel Besluit. Het vastgestelde inkomen van de aanvrager wordt vergeleken met inkomensgrens die geldt voor de aanvrager (zie bijlage I Financieel Besluit). De inkomensgrens wordt bepaald door het van toepassing zijnde norminkomen op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) te vermenigvuldigen met 1,5 *). Wanneer het inkomen hoger is dan de inkomensgrens die van toepassing is, bestaat er geen recht op een vervoerskostenvergoeding, wanneer het inkomen lager is, dan wel. De inkomensgrenzen worden aan het begin van het kalenderjaar vastgesteld op basis van de actuele Wwb-normen.
N.B. Wanneer iemand echter aangewezen is op een rolstoeltaxi, maar vanwege een inkomen dat hoger is dan het norminkomen niet in aanmerking komt voor een vervoerskostenvergoeding, dan heeft deze cliënt wel recht op een vergoeding van de meerkosten die hij heeft omdat hij uitsluitend met een rolstoeltaxi kan reizen. De meerkosten worden vastgesteld op het verschil tussen de vervoerskostenvergoeding voor een rolstoeltaxi en een gewone taxi (zie artikel 10 lid 9 Financieel Besluit).
Bijzondere omstandigheden
In de situatie waarbij de aanvrager bij één van zijn of haar kinderen woont, wordt uitsluitend het inkomen van de aanvrager (en zijn eventuele partner) meegenomen in de beoordeling of het inkomen onder de inkomensgrens blijft.
Wanneer één van de partners opgenomen wordt in een AWBZ-instelling en de andere in de echtelijke woning blijft wonen wordt de berekening als volgt gedaan: Voor het inkomen van de partner in de echtelijke woning wordt uitgegaan van de norm voor een alleenstaande en voor de partner in de AWBZ-instelling van de norm voor een alleenstaande in een instelling.
In artikel 10 lid 8 van het Financieel Besluit zijn de bedragen van de jaarlijkse (rolstoel) taxikostenvergoeding en kilometervergoeding vervoer door derden opgenomen.
De cliënten die een kilometervergoeding ontvangen voor het gebruik van vervoer door derden of van de (rol)stoeltaxi moeten voor iedere verreden kilometer zelf een deel van deze kosten dragen. Iedere burger moet immers voor zijn vervoer betalen. De eigen betaling per kilometer is afgeleid van de kosten van het openbaar vervoer. Deze eigen betaling wordt van tevoren op het PGB voor vervoer door derden in mindering gebracht.
Het persoonsgebonden budget voor de vergoeding voor vervoer door derden wordt in 4 termijnen voor de eerste van een kwartaal (1 januari, 1 april, 1 juli, 1 oktober) overgemaakt aan de aanvrager. Over de besteding van het PGB is geen verantwoording verschuldigd.
Een PGB voor (rolstoel)taxikosten werkt echter anders. De taxikosten kunnen per kwartaal gedeclareerd worden bij de gemeente: door de cliënt zelf dan wel door het taxibedrijf wanneer de cliënt hiervoor een machtiging heeft afgegeven. In geval van een machtiging zal de cliënt de kosten die voor eigen rekening komen moeten afrekenen met het taxibedrijf. Zie hiervoor ook artikel 11 lid 2 van het Financieel Besluit. De declaraties van de (rolstoel)taxikosten vormen tevens de verantwoording van de besteding van deze middelen.
Vaststelling hoogte PGB gebeurt op basis van een positieve indicatie en van individuele vervoersbehoefte. De individuele vervoersbehoefte van kinderen wordt gerelateerd aan de leeftijd. Indien in
individuele gevallen niet het tegendeel blijkt wordt ervan uitgegaan dat:
a. er bij kinderen jonger dan 4 jaar geen sprake is van vervoersproblemen, omdat de ouders hen meenemen, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen;
b. kinderen van 4 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen;
c. kinderen van 12 tot 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte ontwikkelen en vanaf 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen.
Deze uitgangspunten hebben tot gevolg dat in de regel:
a. aan gehandicapte kinderen tot 4 jaar geen vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt;
b. aan gehandicapte kinderen van 4 tot 12 jaar een halve vervoerskostenvergoeding wordt verstrekt;
c. aan gehandicapte kinderen van 12 tot 15 jaar een vergoeding wordt verstrekt ter hoogte van ¾ van het normbedrag;
d. aan gehandicapte kinderen vanaf 15 jaar: een volledige vergoeding.
Als binnen een gezin meerdere gehandicapte kinderen voor een vervoerskostenvergoeding in aanmerking komen, wordt aan elk der kinderen maximaal ¾ x de bij de leeftijdscategorie behorende vergoeding toegekend.
Indien beide partners gehandicapt zijn en een vervoersvoorziening behoeven, kan, in het geval dat de vervoersbehoeften van de partners samenvallen, volstaan worden met een enkele voorziening. Vallen de behoeften niet samen, of slechts ten dele, dan kan aan beiden een afzonderlijke vervoerskostenvergoeding worden verstrekt tot in totaal maximaal 1,5 x het normbedrag.
In het geval van vervoersvoorzieningen gaat het altijd om het verminderen van de mobiliteitsproblemen en niet om het wegnemen daarvan. De vervoerskostenvergoedingen zijn niet als kostendekkend bedoeld.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.5.1.
Persoonsgebonden budget bij een individuele vervoersvoorziening in de vorm van een kilometerkostenvergoeding
Onderdeel van Verstrekkingenboek maatschappelijke ondersteuning Opsterland 2011