De volgende bevoegdheden worden aan het college gedelegeerd (conform artikel 2.8 en artikel 4.14, vijfde lid Omgevingswet):
het wijzigen van het Omgevingsplan voor een plan dat volledig in lijn is met een wijzigingsbevoegdheid uit het voormalige bestemmingsplan c.q. het omgevingsplan van rechtswege dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat;
het verwerken van onherroepelijke omgevingsvergunningen en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het Omgevingsplan;
het doorvoeren van correcties van kennelijke verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten in het Omgevingsplan;
het verwerken van kaderstellend beleid in het Omgevingsplan, mits dit beleid na inwerkingtreding van onderhavig besluit door de gemeenteraad is vastgesteld en voorstellen voor kaderstellend beleid expliciet en helder aangeven, welke consequeties deze voorstellen hebben met betrekking tot het Omgevingsplan;
het wijzigen van het Omgevingsplan vanwege gewijzigde wet- en regelgeving van het Rijk en/of provincie voor zover hieraan aan de gemeenten geen beleidsvrijheid is toegekend;
het verwerken van de door de gemeenteraad vastgestelde Algemene verordening, mits deze beleidsneutraal / inhoudelijk ongewijzigd in het Omgevingsplan wordt opgenomen;
het nemen van een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van in het Omgevingsplan te stellen regels.