Na het doorlopen van stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of het college een maatwerkvoorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken (zie hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze beleidsregels).
Het college kijkt eerst of er afpelfactoren zijn. Het gaat om:
Gebruikmaking van een andere wet.
Geen jeugdhulp.
Gebruikelijke hulp.
Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
Vrij toegankelijk aanbod.
Geen noodzaak.
1.Gebruikmaking van een andere wet
Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vinden dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning.
2.Geen jeugdhulp
Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hiervoor onder 1) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:
Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711).
Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883).
Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171).
Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199).
Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.
3.Gebruikelijke hulp
Op basis van het onderzoek kan de gemeente vinden dat sprake is van gebruikelijke hulp. Zie verder hoofdstuk 3 en bijlage 1 bij deze beleidsregels.
4.Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Op basis van het onderzoek kan de gemeente vinden dat naast gebruikelijke hulp ook nog sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
5.Vrij toegankelijk aanbod
Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat gebruikmaking van het vrij-toegankelijk aanbod een voldoende oplossing biedt.
6.Geen noodzaak
Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een maatwerkvoorziening. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.8
Artikel 2.8.5
Stap 4 van het stappenplan
Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Noordoostpolder 2024