Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Inrichting begroting en jaarstukken

Onderdeel van Financiële beheersverordening

1.. Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma’s. In de verantwoording geeft het college aan: Wat de status is van de uitgevoerde activiteiten; Welke baten en lasten daarmee gemoeid zijn. 2.. De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen (ambities en activiteiten) van de programma’s voor het lopende jaar bijstelling behoeven. 3.. Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de raad heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen is opgenomen. 4.. Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen wordt bij de uiteenzetting van de financiële positie expliciet vermeld. 5.. De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële positie de investeringskredieten. In de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven. 6.. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 7.. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden bedragen groter dan € 75.000 afzonderlijk gepresenteerd. Bedragen onder de € 75.000 worden in het overzicht gesaldeerd weergegeven. 8. . In de jaarstukken worden afwijkingen op de begroting na wijziging van de baten en lasten van taakvelden en investeringen groter dan € 75.000 toegelicht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel