De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten in natura. Het kan gaan om een huur- of koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder of een prijs die gebaseerd is op een offerte (art. 10.3 Verordening). Mogelijk zit het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment van de gecontracteerde partij en zijn door het college geen afspraken gemaakt dat de aanbieder het aangewezen hulpmiddel aanschaft.
Offertes
In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die het college verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn). Bijkomende noodzakelijke kosten zoals instandhoudingskosten kunnen worden meegenomen. Het college kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat het college de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen.
Hoogte instandhoudingskosten
In het Besluit staat dat het pgb kan worden verhoogd met (reële) instandhoudingskosten. Voor trapliften geldt het opgenomen bedrag als uitgangspunt. Voor de overige maatwerkvoorzieningen worden de reële instandhoudingskosten vastgesteld in het individuele toekenningsbesluit. De omvang van de budgetperiode kan daarbij een rol spelen.
Hoofdstuk 13 › Paragraaf 13.12
Artikel 13.12.3
Hulpmiddelen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024