Is de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden, dan is geen sprake van thuis wonen. Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448, RBGEL:2023:4967). Het college is bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing af te wijzen onder toepassing van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (zie verder hierna). Bij twijfel vraagt het college de huurovereenkomst op bij de cliënt.
Voorbeelden niet thuis wonen
Uit het onderzoek blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (maar niet in een Wlz-instelling) kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen:
Voor het sociaal vervoer, zoals de Regiotaxi, of
hulpmiddel of woningaanpassing).
Het college onderzoekt of:
in redelijkheid verwacht mag worden dat de ‘exploitant’ van het wonen zorgt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. Mogelijk kan de cliënt de ‘exploitant’ daarop aanspreken,
de exploitant van het wonen meerdere cliënten heeft die eenzelfde hulpmiddel nodig hebben. Mogelijk kan worden volstaan met het verstrekken van één hulpmiddel.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.16
Artikel 2.16.6
Niet thuis wonen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024