Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.7

Algemeen gebruikelijke voorziening

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2024

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, volgens het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1. Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een elektrische fiets, een robotstofzuiger, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. 2.Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3.Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4.Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die in Noordoostpolder geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 van de Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272). Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.216,62 [bedrag per 1 juli 2023] = € 60,83 x 36 maanden = € 2.189,88. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.189,88 [bedrag geldt per 1 juli 2023] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 664,88 (€ 2.189,88 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Tweedehands en inruil Een tweedehands elektrische fiets kan ook als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Net als voor een nieuwe elektrische fiets moet bij een tweedehands ook worden voldaan aan ‘kwaliteitseisen’. Bij de aankoop bij een reguliere fietsenhandelaar kan daar van uit worden gegaan maar de afschrijvingstermijn zal wel korter zijn. Verder kan het zijn dat de cliënt een korting krijgt op de aanschaf wegens inruil. Het college houdt dan het bedrag minus de korting aan. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn: De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Voor de meerkosten, bijvoorbeeld de bezorgkosten kan een aanvraag om bijzondere bijstand worden gedaan. Het op deze manier invulling geven aan de ondersteuningsplicht, zodat de kosten financieel draagbaar zijn, is een aanvaardbare keuze (CRVB:2014:1403, CRVB:2015:97). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 9.2 lid 1 Verordening).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel