De afmetingen van de wagens moeten zodanig zijn dat de wagens veilig en ongehinderd de te volgen route kunnen rijden. Dit betekent dat de hoogte zodanig moet zijn dat de route kan worden gereden zonder dat bomen, lantaarnpalen en andere obstakels worden beschadigd.
Als gebruik wordt gemaakt van een schuif- en/of kantelmechanisme moet de uitbeelding op de wagen in snel tempo teruggebracht kunnen worden. Het zwaartepunt van de constructie moet binnen de wielbasis en spoorbreedte van de wagen blijven, waarbij de stabiliteit van de wagen op geen enkele wijze gevaar mag opleveren voor deelnemers en publiek.
Alle wagens moeten rondom op een deugdelijke manier worden afgeschermd, zodat er geen mensen onder de wagen of onder de wielen terecht kunnen komen.
Alle wagens moeten op een veilige en deugdelijke manier aan het trekkende/duwende voertuig zijn bevestigd. Deugdelijk betekent dat alle delen achter of voor het trekkende/duwende voertuig niet los kunnen raken, zonder dat dit een uitdrukkelijk geplande actie is.
Alle wagens moeten aan de voor- en achterzijde voorzien zijn van een trek- of sleepoog (voor noodsituaties).
Het zwaartepunt van de wagen moet zodanig liggen dat bij een klapband of dergelijke de wagen niet kantelt.
Bij scharende wagens moeten er minimaal 4 begeleiders aanwezig zijn, op iedere hoek 1. Bij niet scharende wagens moeten er minimaal 2 begeleiders aanwezig zijn. De begeleiders moeten minimaal 16 jaar zijn en duidelijk herkenbaar zijn middels een reflecterende veiligheidsjas/-hes.
De bestuurder van het voertuig moet steeds een goed uitzicht hebben. Afwijking hiervan is alleen toegestaan als 1 extra begeleider en de chauffeur van de wagen gezamenlijk in direct onderling contact met elkaar staan via een elektronisch communicatiemiddel, zodat de chauffeur over de te rijden route kan worden geloodst.
Geluidproducerende voorzieningen worden niet (haaks) op het publiek gericht. De geluidproducerende voorzieningen op de wagen worden naar voren gericht, naar de loopgroep toe. De geluidproducerende voorzieningen op het voorloop-/startwagentje worden naar achteren gericht, ook naar de loopgroep toe. Vanwege mogelijke overlast wordt geadviseerd de geluidproducerende voorzieningen zo laag mogelijk te hangen.
Het gemiddelde geluidsniveau ter hoogte van de loopgroep voor de wagen is niet hoger dan 100 dB(A).
Personen die vervoerd worden op of in de wagen of zich bevinden in de loopgroep rondom de wagen moeten gehoorbescherming met een minimale beschermingsfactor van SNR15 dragen
Personen die zich op de wagen op een hoogte van meer dan 2,5 meter van de grond bevinden moeten door aanlijnen, zekeren of een andere deugdelijke valbeveiliging voorzien zijn van een valbeveiliging.
De snelheid die gereden mag worden tijdens de optocht mag niet hoger zijn dan 5 km/uur. Voertuigen die deze snelheid niet kunnen rijden zijn niet toegestaan.
Als in een act bij de wagen gebruik wordt gemaakt van motorvoertuigen mag de snelheid ook met deze voertuigen niet hoger zijn dan 5 km/uur. Voertuigen die deze snelheid niet kunnen rijden zijn niet toegestaan.
Aan de buitenzijde van de wagen moet een externe noodrem aanwezig zijn of er moet wanneer de chauffeur ingebouwd is in de wagen een tweede persoon de chauffeur vergezellen/ondersteunen. Elk voertuig moet een noodstop kunnen maken, zonder dat er gevaar is voor het afbreken van onderdelen door de zwaartekracht vanwege het plotseling afremmen.
Gebruik van luchtdrukflessen, compressoren en appendages is toegestaan, mits gebruik wordt gemaakt van veilig en deugdelijk materiaal (bij voorkeur voorzien van een keurmerk).
Brandveiligheid:
Op elke wagen moet minimaal een goedgekeurd draagbaar blustoestel met een inhoud van minimaal 6 liter/kilo beschikbaar zijn, geschikt voor het blussen van branden in brandklasse A, B en C. Elk ander object, niet zijnde een wagen, moet ook van een dergelijk blustoestel zijn voorzien als gebruik wordt gemaakt van brandbare vloeistoffen en/of gassen.
Wanneer de chauffeur ingebouwd is in de wagen moet de chauffeur over een eigen blustoestel kunnen beschikken. In de nabijheid van de ingebouwde chauffeur wordt een koolstofmonoxidemelder geplaatst.
Voor de chauffeur, de eventuele bijrijder en andere personen die zich op of in de wagen bevinden is er een vluchtweg.
Het gebruik van vuur is niet toegestaan.
Als het trekkende/duwende voertuig is ingepakt, moet een goede ventilatie van uitlaatgassen zijn gewaarborgd. Uitlaatgassen moeten de wagen kunnen verlaten via een degelijke afvoer, zonder dat deelnemers en publiek hier hinder van hebben.
Bij gebruik van een generator ter opwekking van elektrische energie moet deze zijn voorzien van een deugdelijke isolatiebewaking en een goede afvoer van uitlaatgassen.
Er mag maximaal 10 liter brandbare vloeistof als voorraad worden meegevoerd. Deze moet opgeborgen zijn in deugdelijke, speciaal daartoe bestemde houders die zorgen dat de vloeistof stevig op de plek blijft staan.
Gasflessen en brandbare vloeistoffen (behalve die voor generatoren) zijn niet toegestaan.
Het gebruik van gemakkelijk brandbare materialen (polystereen schuim, plastic, etc.) moet tot een minimum beperkt worden en als het aanwezig is afgeschermd worden van hitte bronnen.
Tijdens de optocht mogen geen voorwerpen van de wagens vallen of worden gegooid. Het is toegestaan snoepgoed, verpakte koekjes of slingers van de wagen te werpen, mits dit gericht op het publiek en van de wagen af plaatsvindt en op een zodanige wijze dat niemand er schade van ondervindt of letsel door oploopt. Om (milieu)overlast te beperken moeten de voorwerpen gericht op het trottoir of op de weg gegooid worden.
Confetti of papiersnippers waarin plastic is verwerkt zijn niet toegestaan, er moet gebruik worden gemaakt van biologisch afbreekbaar materiaal. Het gebruik van confetti of papiersnippers moet tot een minimum worden beperkt.
Het beschikbaar hebben en gebruik van alcoholhoudende dranken en/of drugs voor of tijdens de optocht is verboden. Bij deelname aan de optocht gelden dezelfde regels met betrekking tot alcohol- en/of drugsgebruik als bij normale deelname aan het verkeer. De organisatie kan hierop (laten) controleren.
Alle deelnemers moeten zich onthouden van bedreiging, discriminatie en/of ernstige belediging en alles wat in strijd is met goede zeden.
Wagens, uitbeeldingen en trekkende/duwende voertuigen mogen niet voorzien zijn van discriminerende teksten of tekens of dit karakter hebben.
Deelname aan de optocht met (levende en dode) dieren is verboden.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.19
Artikel 4.19.2
Beleidstandpunten carnavalsoptochten
Onderdeel van Uitvoeringsbeleid evenementen gemeente Bladel 2024