Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2.1

Geschikte woning

Onderdeel van Verordening sociaal domein Olst-Wijhe

1.. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. 2.. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten (meer dan € 6.500, - voor de duur van 5 jaar) aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. De inwoner kan dan een vergoeding krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze maximale hoogte van de verhuiskostenvergoeding is opgenomen in het financieel besluit. 3.. De gemeente verstrekt niet altijd ondersteuning--op--maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties: de belemmeringen die de inwoner ervaart zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen. de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners. het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. de inwoner is, zonder dringende reden, verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. de inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg. de inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de belemmeringen bij het normale gebruik van zijn woning weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven. 4.. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als: de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. 5.. Als de woning van de inwoner moet worden aangepast en daardoor tijdelijk niet bewoonbaar is, kan de inwoner een vergoeding krijgen voor de dubbele woonlasten die hierdoor ontstaan. Deze vergoeding krijgt de inwoner alleen als hij de dubbele woonlasten niet kon voorkomen. 6.. De hoogte van de vergoeding voor huurderving is gelijk aan de werkelijke kosten. Dit geldt voor maximaal 6 maanden waarbij de eerste 2 maanden niet meetellen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het ontvangen van de vergoeding is dat de woning voor meer dan €4.800,- moet worden aangepast om weer geschikt te maken voor het normale gebruik van zijn woning. 7.. De hoogte van de vergoeding voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van de woonvoorzieningen is gelijk aan de werkelijke kosten. De aanbieder en de gemeente bepalen hoeveel onderhoud en welke keuring er nodig is. 8.. Bij verkoop van de woning binnen 5 jaar na de woningaanpassing moet de inwoner een deel van de waardevermeerdering van de woning door de woningaanpassing aan de gemeente terugbetalen. De volgende percentages gelden: voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde; voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde; voor het derde jaar 60% van de meerwaarde; voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde; en voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.

Rechtspraak bij dit artikel