1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekkinghebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van deadviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.
2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseurof de adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat.
3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerderehoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid bedoelde ambtelijkevertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten,onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie teverschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen,alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.
4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop deadviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt deaanvrager voor de plaatsopneming uit.
5. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordtdoor de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.
6. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoeldebezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of devoorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uitte brengen advies.
7. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnenzestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvanaan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganenen aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf vanredenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen.
8. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden inde gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept adviesschriftelijk hierop te reageren.
9. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissiebinnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een adviesuit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.
10. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of deadviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoeldetermijn een advies uit aan het college.
Hoofdstuk 1
Artikel 6
Werkwijze adviseur of adviescommissie
Onderdeel van Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008