Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 4.2.4

Loslopende honden

Onderdeel van Verordening fysieke leefomgeving gemeente Noordoostpolder

1.. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4.. Behoudens het bepaalde in de Jachtwet is het de eigenaar, houder of verzorger van: een hond verboden zich met dit dier te bevinden op de dijken, behalve op dijkvakken waarvan het college bij openbaar bekend te maken besluit hebben verklaard, dat het verbod niet van toepassing is; een hond verboden deze zonder voldoende toezicht buiten de bebouwde kom los te laten lopen; een windhond of andere hond, welke door zijn lichaamsbouw in staat is wild in te lopen en te vangen, verboden deze los te laten lopen buiten de bebouwde kom; een hond, onverminderd het bepaalde onder a en b, verboden deze tussen één uur na zonsondergang en één voor zonsopgang buiten de bebouwde kom los te laten lopen, zulks anders dan in bij hem in gebruik zijnde woningen en andere gebouwen of de daarbij behorende afgesloten erven.

Rechtspraak bij dit artikel