Naar hoofdinhoud

Artikel 8.

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening afvalstoffenheffing gemeente Molenlanden 2024

De belasting, naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. De belastingschuld, naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en d artikel 5, tweede lid, ontstaat na het einde van elk kalenderjaar. Indien in afwijking van het tweede lid, de belastingplicht, voor de belasting verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen c en d in de loop van het kalenderjaar eindigt, ontstaat de belastingschuld bij het einde van de belastingplicht. Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht voor de belasting verschuldigd naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a en b in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00. Bij toepassing van het vierde en vijfde lid wordt voor de bepaling van de belastingplicht uitgegaan van het gegeven dat: bij ontstaan of wijziging van de belastingplicht vóór of op de 10e van de maand de belasting over de lopende maand ten volle is verschuldigd; bij ontstaan of wijziging van de belastingplicht ná de 10e van de maand over de lopende maand geen belasting wordt geheven; bij beëindiging of wijziging van de belastingplicht vóór of op de 10e van de maand over de lopende maand geen belasting wordt geheven; bij beëindiging of wijziging van de belastingplicht ná de 10e van de maand de belasting over de lopende maand ten volle wordt geheven. Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt. Voor de belasting, verschuldigd naar de grondslagen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a en b worden belastingbedragen van minder dan € 10,- niet geheven. Voor de toepassing van de bepalingen in het vijfde en achtste lid, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel e en f, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. De belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel g, is verschuldigd na afloop van de dienstverlening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel