Naar hoofdinhoud
De fictieve draagkracht wordt berekend door 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm plus het inkomen boven de bijstandsnorm op te tellen bij het gehele vermogen van belanghebbende en zijn of haar partner. De boete mag niet hoger zijn dan hetgeen belanghebbende met inachtneming van zijn fictieve draagkracht kan voldoen binnen: 24 maanden in geval van opzet. 18 maanden in geval van grove schuld. 12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid. 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid. Bij recidive worden bovenstaande termijnen met ten hoogste 50% vermeerderd. Indien men niet de gevraagde gegevens overlegt en het college deze niet zelf ter beschikking heeft, dan wordt er geen fictieve draagkracht berekend. Voor iemand in de bijstand wordt bij de berekening van de fictieve draagkracht uitgegaan van de daadwerkelijk ontvangen bijstand (dus met inachtneming van de kostendelersnorm en inclusief vt). Voor iemand die geen bijstand ontvangt wordt bij de berekening uitgegaan van de daadwerkelijke bijstand die op hem – gezien zijn de samenstelling van zijn huishouden – van toepassing zou zijn. Dat zou dus tevens de kostendelersnorm kunnen zijn. Daarbij mag het gehele vermogen van iemand en zijn of haar partner worden meegenomen, inclusief het vermogen beneden de vrijlatingsgrens. In de regel zal hierbij vooral het saldo van de bankrekening bepalend zijn. De uitkomst van de berekening is het maximale boetebedrag conform de fictieve draagkracht. De genoemde looptijd (vb. 24 maanden in geval van opzet of 36 maanden in geval van opzet én recidive) wordt dus alleen gebruikt om het bedrag te bepalen. Dat is dus niet de daadwerkelijke looptijd voor het afbetalen van de boete. De boete moet in de regel gewoon geheel worden terugbetaald.

Rechtspraak bij dit artikel