(Wmo, Burgerlijk Wetboek, Gemeentewet)
1. De gemeente kan hulp-op-maat of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen die genoemd worden in artikel 7.2.1 en/of de wet.
In het geval van Wmo-hulp kan de gemeente alleen in de volgende situaties de (geldswaarde van de) voorziening terugvorderen:
Als de gemeente een besluit om hulp-op-maat toe te kennen heeft herzien of ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. De gemeente kan dan de geldswaarde van de voorziening die ten onrechte is verstrekt, vorderen van de inwoner en van de persoon die de inwoner opzettelijk heeft geholpen.
Als de gemeente een besluit om hulp-op-maat toe te kennen heeft herzien of ingetrokken omdat de inwoner vroegtijdig is verhuisd (een verhuizing binnen de afschrijvingstermijn van het hulpmiddel of de betreffende woningaanpassing) naar een andere gemeente.
Als de gemeente een besluit om hulp-op-maat toe te kennen heeft herzien of ingetrokken, kan deze voorziening van de inwoner worden teruggevorderd als het om een voorziening gaat die in eigendom of in gebruik is gegeven aan de inwoner.
In het geval van Jeugdhulp is terugvordering van de geldswaarde door de gemeente mogelijk, als de gemeente een beslissing op grond van artikel 7.2.1 heeft herzien of ingetrokken. Dan kan de geldswaarde worden gevorderd van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten Pgb.
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2
Artikel 7.2.2
Terugvordering voorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dalfsen