Naar hoofdinhoud
De bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Voor zover het betreft: Het wijzigen van het omgevingsplan welke volgen uit bestaande uitwerkings- en wijzigingsbevoegdheden (als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder a en b Wet ruimtelijke ordening) in de bestaande bestemmingsplannen; Het verwerken van een verleende omgevingsvergunningen in afwijking van het omgevingsplan (zogenaamde BOPA’s) nadat deze onherroepelijk in werking zijn getreden om daarmee te voldoen aan de actualiseringsplicht (zoals bedoeld in artikel 4.17 Omgevingswet). Het wijzigen van een omgevingsplan als gevolg van een onherroepelijk besluit tot het aanwijzen, het wijzigen of intrekken van de aanwijzing van monumenten of het aanwijzen, het wijzigen, intrekken of vervallen van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Het wijzigen van het omgevingsplan in gevallen waarvan uw raad heeft aangegeven bij een aanvraag omgevingsvergunning geen gebruik te willen maken van het adviesrecht als bedoeld in artikel 16.15a lid b. onder 1 van de Omgevingswet; Het wijzigen van het omgevingsplan als gevolg van instructieregels vanuit de provincie of het Rijk, voor zover hierin geen afwegingsruimte aanwezig is; Het aanbrengen van ondergeschikte wijzigingen van technische aard, redactionele aanpassingen en correcties van omissies en feitelijke onjuistheden van het omgevingsplan, uitsluitend indien geen of geringe invloed op de fysieke leefomgeving.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel