Naar hoofdinhoud

Artikel 2.3

Onderverdeling beleid

Onderdeel van Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Maashorst

De beleidsregels betreffende de bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet is aangegeven en onderverdeeld in de volgende rubrieken: Woningen; Lokalen Voor de uitvoering van het beleid is een handhavingsarrangement vastgesteld, waarin de diverse verschijningsvormen van drugshandel met daarop de bestuursrechtelijke reactie worden weergegeven. Het opgenomen handhavingsarrangement maakt deel uit van de beleidsregels. Onderscheid woning en lokaal Doordat de sluiting van woningen zwaarder ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene(n) dan de sluiting van lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen herstelsanctieregimes van lokalen en woningen. De essentie ligt daarin dat bij bewoonde woningen het recht op ongestoord woongenot en de daaraan sterk gerelateerde persoonlijke levenssfeer in het geding is. De burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een ‘woning’: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat voor bewoning kan worden gebruikt en dat/die daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning in de aangetroffen staat wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen dan wel bestuurlijke rapportage van de politie. Indien er geen sprake is van een ‘woning’, wordt het pand/de ruimte beschouwd als ‘lokaal’ in de zin van dit beleid. Ook vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels en horecabedrijven) en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten) in de categorie lokalen. Er wordt voor gekozen om bij woningen ook direct te handhaven, omdat blijkt dat er vaak sprake is van een ernstige situatie. Bovendien worden woningen, waarbij meer dan de toegestane hoeveelheid drugs wordt gevonden, vaak niet overeenkomstig de bestemming gebruikt en is er sprake van bedrijfsmatigheid. Daarnaast dient het verplaatsingseffect van de desbetreffende handel vanuit inrichtingen naar woningen voorkomen te worden. Er wordt daarom voor gekozen om ook bij woningen adequaat op te treden, ondanks de woonbescherming en de waarborgen van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Natuurlijk wordt elk geval zorgvuldig bekeken, waarbij de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht worden genomen. Toepassing van de maatregel moet dus altijd zorgvuldig gebeuren. Er is extra zorgvuldigheid geboden, als er sprake is van (mogelijk) verblijf van minderjarige(n) in de woning. Anderzijds dienen minderjarige(n) ook beschermd te worden tegen blootstelling aan dergelijke situaties, daarom wordt in gevallen dat minderjarige(n) betrokken zijn een melding gedaan bij/overleg gepleegd met Veilig Thuis of andere zorgpartners. De extra zorgvuldigheid die geboden is bij de aanwezigheid van minderjarigen, hoeft niet te betekenen dat de sluiting van de woning niet doorgaat. Drugshandel in of bij lokalen vormt eveneens een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Daarbij legt een illegaal verkooppunt een zware druk de omgeving. Zeker in woongebieden wordt de aanwezigheid daarvan als zeer belastend ervaren. Illegale verkooppunten (de drugshandel zoals dat hierboven is gedefinieerd) vormen een bedreiging voor de sociale veiligheid in de buurt en leiden vaak tot verloedering van het straatbeeld. Er wordt dan ook gekozen om lokalen direct te handhaven. Uitgangspunt is dat per situatie de feiten en omstandigheden van het geval worden beoordeeld en per geval maatwerk kan worden geboden. Onderscheid handelshoeveelheid en voorbereidingshandelingen In geval er sprake is van voorbereidingshandelingen hanteert de burgemeester in beginsel een kortere sluitingstermijn. Dit heeft te maken met het feit dat er op dat moment (nog) geen verdovende middelen aanwezig zijn in het pand. Ook vindt er op dat moment nog geen drugshandel plaats. Het risico op openbare ordeverstoringen is daarmee kleiner. De betrokken personen (en de daarmee samenhangende risico’s) en attributen zijn echter al wel aanwezig. Daarnaast brengt het aansluiten en opzetten van bijvoorbeeld een drugslab dan wel een hennepkwekerij/drogerij risico’s met zich mee. Vandaar dat wel gekozen kan worden voor het opleggen van een maatregel. De openbare orde moet immers gehandhaafd blijven. Onderscheid hard- en softdrugs De sluitingsduur is in het geval van harddrugs in beginsel langer dan de sluitingsduur in het geval van softdrugs. Dit onderscheid tussen soft- en harddrugs sluit ook aan bij de Opiumwet. De Opiumwet stelt op overtredingen met harddrugs zowel strafrechtelijk als ook bestuursrechtelijk zwaardere sancties dan op overtredingen met softdrugs. Ook zijn harddrugs in het algemeen gevaarlijker voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel- en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. In nabijgelegen gemeentes wordt dit onderscheid in sluitingsduur bij soft- en harddrugs ook gemaakt. Herhaalde overtreding De sluitingsduur is in beginsel langer indien al eerder een maatregel is opgelegd op basis van artikel 13b van de Opiumwet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel