De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend;
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
** 5. .** De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, meer specifiek onder artikel 4, lid 1, onderdeel 1.1 moet in afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 worden betaald binnen 5 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
** 6. .** De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het vijfde lid gestelde termijn.