**1..** Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.
**2..** Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.
**3..** De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:
telecommunicatie;
elektra;
water;
gas;
warmte;
riool.
**4..** De onderlinge afstand tussen kabels of leidingen is minimaal 0,25 m.
**5..** De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste kabel of leiding is minimaal 0,25 m.
**6..** In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.
**7..** Distributie- of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 5,00 m vanaf het hart van de stamvoet van de boom en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.
**8..** Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter, bijlage 10.1).
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.2.
Uitgangspunten horizontale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen UNOG