Naar hoofdinhoud
1.. De belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a bedraagt € 205,35 2.. De belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedraagt voor een perceel gebruikt als: 1. perceel niet als woning, waarin geen personen werkzaam zijn € 119,80 2. onderwijslokaal, per lokaal € 318,30 3. een gebouw met een culturele, recreatieve bestemming of als zijnde een wijkgebouw € 318,30 4. café-restaurant, bar of enig ander horecabedrijf, geen hotel zijnde € 614,10 5. winkel, garagebedrijf, fabriek, kantoor, werkplaats of enig ander bedrijf, geen horecabedrijf zijnde, waarin werkzaam zijn: minder dan 5 personen € 318,30 5 tot en met 10 personen € 536,15 11 tot en met 50 personen € 1.065,35 51 tot en met 100 personen € 2.143,20 vermeerderd met € 1.042,30 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen. 6. hotel of pension, huisvesting biedende aan: minder dan 10 personen € 614,10 10 tot en met 50 personen € 1.378,75 51 tot en met 100 personen € 2.439,15 vermeerderd met € 1.349,00 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen. 7. verpleeginrichting of bejaardentehuis, huisvesting biedende aan: minder dan 10 personen € 1.065,35 10 tot en met 50 personen € 2.143,20 51 tot en met 100 personen € 4.278,25 vermeerderd met € 2.097,00 voor elk honderdtal personen of gedeelte daarvan boven de 100 personen. 3.. Onverminderd het bepaalde in lid 2 bedraagt de belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, voor een perceel dat niet aan te merken valt als een woning, niet vallend onder één van de bepalingen van lid 2 € 906,10 4.. Belastingaanslagen van minder dan € 5,-- worden niet opgelegd. 5.. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel