De belanghebbende moet de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b of c, van de wet, bij het college inleveren. Het college beoordeelt of sprake is van een zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder aan de hand van de volgende criteria:
Er is geen sprake van een 1e of 2e graad bloedverwantschap tussen verhuurder en huurder;
Het onder te huren deel van de woning is geschikt voor bewoning en de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres;
De wederzijdse rechten en verplichtingen zijn nauwkeurig in de overeenkomst afgebakend;
Er is een commerciële prijs overeengekomen, als bedoeld in artikel 4a, 4b of 5 van deze beleidsregels;
Uit de overeenkomst blijken periodieke prijsverhogingen;
De belanghebbende kan aantonen dat de commerciële prijs wordt betaald (bankafschriften/betalingsbewijzen).
Hoofdstuk 2
Artikel 3.