Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
Het college kan een voorziening beëindigen:
indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 lid 1, 17 en 18 lid 1 en 2 van de wet en de artikelen 28 en 29 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet nakomt;
indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;
indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;
Indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doelmatige arbeidsinschakeling.
De beleidsaanbeveling “Subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van reïntegratie werkzoekenden” vormt een integraal onderdeel van deze verordening. Bij de vaststelling van loonkostensubsidies neemt de gemeente de bepalingen van de (EG) Verordening werkgelegenheidssteun in acht.
Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 20, met inachtneming van hetgeen daarover in de beleidskaders is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;
de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen;
de intrekking of wijziging van de verlening of vaststelling van subsidies, premies en kostenvergoedingen;
de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies, premies en kostenvergoedingen;
de betaling van subsidies, premies en kostenvergoedingen en het verlenen van voorschotten;
het vragen van een eigen bijdrage;
overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies, premies en kostenvergoedingen.
Paragraaf
Artikel 21
Algemene bepalingen over de voorzieningen
Onderdeel van Reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand 2004