De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
Als perceel wordt aangemerkt:
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden;
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
het binnen de gemeenten gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Voor de heffing genoemd in het eerste lid worden:
bejaardenoorden, verpleeginrichtingen, kloosters en andere instellingen omgerekend in aantallen percelen, door de totale inwonersbezetting op 1 januari van het belastingjaar te delen door vier;
scholen omgerekend in aantallen percelen, en wel naar één perceel per klas c.q. speel- en werklokaal;
slachterijen, horecabedrijven met bijbehorende woning, verenigingsgebouwen, sportzalen/-hallen, autowasinrichtingen en daarmee gelijk te stellen inrichtingen, omgerekend in aantallen percelen, en wel naar twee percelen per aangegeven categorie;
percelen bestaande uit een woning en een bedrijfsruimte, niet behorende tot de categorieën als bedoeld in de onderdelen a en c, gelijk gesteld met anderhalf perceel vermeerderd met één perceel voor elke gebouwde aanhorigheid waar bedrijf wordt uitgeoefend;
percelen, uitsluitend bestaande uit een bedrijfsruimte als bedoeld onder het voorgaande lid gelijk gesteld met één perceel;
campings omgerekend in aantallen percelen door het aantal aansluitingen te delen door zes.