Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3:

Artikel 35.

Voorwaarden voor uitbetaling van de financiële tegemoetkoming

Onderdeel van Verordening Maatschappelijke Ondersteuning 2024

1.. De tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de inwoner of aan de leverancier van de voorziening. 2.. De tegemoetkoming kan voorafgaande aan de aanschaf, of na realisering van de voorziening worden verstrekt; indien de tegemoetkoming voorafgaande aan de aanschaf van de voorziening wordt uitbetaald aan de inwoner, dient deze binnen drie maanden na verstrekking van de tegemoetkoming een bewijsstuk aan te leveren waaruit blijkt dat de financiële tegemoetkoming is aangewend voor de aanschaf van de voorziening; indien de tegemoetkoming rechtstreeks wordt uitbetaald aan de leverancier van de voorziening, geschiedt deze uitbetaling na aanlevering van een bewijsstuk van de leverancier waaruit blijkt dat de voorziening is gerealiseerd. 3.. Verstrekking van de tegemoetkoming achteraf geschiedt na aanlevering van een factuur of ander bewijsstuk waaruit blijkt dat de voorziening reeds is aangeschaft. 4.. Indien de inwoner als genoemd in lid 2 onder a geen bewijsstuk aanlevert, kan de tegemoetkoming worden teruggevorderd op grond artikel 2.4.1 lid 1 van de wet, voor zover het de inwoner kan worden aangerekend dat de tegemoetkoming niet adequaat is besteedt. 5.. Indien een programma van eisen is opgesteld, vindt uitbetaling van de tegemoetkoming slechts plaats voor zover wordt voldaan aan de in het programma gestelde eisen. 6.. In de gevallen waarin een programma van eisen is opgesteld en de uitbetaling van de tegemoetkoming vooraf plaatsvindt, wordt binnen drie maanden na realisering van de voorziening een inspectie uitgevoerd. 7.. Als na inspectie blijkt dat de voorziening niet voldoet aan het programma van eisen, kan de gemeente de beslissing tot toekenning van de financiële tegemoetkoming herzien dan wel intrekken. 8.. Indien het besluit tot intrekking als genoemd in lid 6 de inwoner kan worden aangerekend, kan het college de tegemoetkoming terugvorderen op grond van artikel 2.4.1 lid 1 van de Wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel