Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in een inrichting
Ouders kunnen aan hun onderhoudsverplichting voldoen door hun kind te laten inwonen. Een thuiswonende kan daarmee dus een beroep op zijn ouders doen en heeft daarom geen recht op aanvullende bijzondere bijstand.
Recht op bijzondere bijstand uitwonende
Als de jongere noodzakelijk uitwonend is en er daardoor sprake is van hogere bestaanskosten, dan waarin de bijstandsnorm voorziet, dan kan aanvullend bijzondere bijstand worden verstrekt. Voorwaarde is dat de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of als de jongere zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken. Als er sprake is van een situatie waarbij de ouders wel kunnen betalen maar dit niet willen of als er bijvoorbeeld sprake is van een verstoorde relatie tussen ouder(s) en kind dan kan de bijzondere bijstand worden verhaald op de ouders.
Hoogte bijzondere bijstand
De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt in beginsel het verschil tussen de toepasselijke bijstandsnorm voor een jongere van 18 tot 20 jaar en de norm alleenstaande 21 jaar of ouder – pensioengerechtigde leeftijd. De norm wordt vastgesteld met inachtneming van de kostendelersnorm, voor zover er sprake is van één of meerdere kostendelers. Ook kan de norm lager worden vastgesteld als iemand geen of lagere woonlasten heeft.
Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in een inrichting
Als een jongere de onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken doordat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of als er sprake is van een verstoorde verhouding, dan kan bijstand worden verleend aan 18- tot en met 20-jarigen die in een inrichting verblijven. Deze groep is in artikel 13, lid 2 onderdeel 1 Participatiewet uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Het geheel wordt als bijzondere bijstand verleend. De bijzondere bijstand kan worden verhaald op de ouders.
a. Hoogte bijzondere bijstand
De hoogte van de bijstand is gelijk aan de norm voor een in een inrichting verblijvende alleenstaande van 21 jaar of ouder, vermeld in artikel 23 lid 1 en 2, Participatiewet.